Arjen Lubach denkt dat hij door is in Amerika. En wij kijken naar de kijkcijfers van RTL 4 en denken: nou, dat wordt lastig.
Maar wacht – hij heeft een screenshot van The New York Times. Eén. Enige. Vermelding. Ergens in een cultuurnieuwsbriefje, tussen een recensie van een obscure documentaire en een opiniestuk over het einde van het papieren boek. En toch: Arjen post het alsof hij een Emmy heeft gewonnen. Trots als een peuter met een goed geschilderd pannenkoekje.
Luister, ik hou van Arjen. Zijn satire is scherp, zijn timing is top, en ja, hij ziet er goed uit in een colbert. Maar laten we niet doen alsof hij nu opeens de nieuwe Jon Stewart is. De New York Times noemt hem – goed – maar noemt hem niet *bíj naam* in een hoofdartikel over de toekomst van de politieke satire. Nee, hij wordt *genoemd*. In een lijstje. Van tien namen. Onder “international voices to watch”. Dus ja, gefeliciteerd, Arjen, je staat op de wachtlijst.
Maar waarom juist dit moment zo uitbundig vieren? Omdat het hier thuis wat minder loopt. RTL 4 zit niet bepaald in de groei met zijn prime-time programma. En dan komt er ineens een snippertje aandacht uit New York – en voel je je meteen weer relevant. Alsof je op Tinder een like krijgt van iemand uit Berlijn terwijl je al maanden niemand in Amsterdam hebt gekust.
Is het hypocriet om dat te snappen? Nee. Menselijk? Ja. Maar als mediafiguren hun eigen echo’s als overwinning verkopen, moeten we wel even flink blijven kijken. Want het is geen erkenning – het is een flauw lichtje aan de horizon.
En hou nou eens op met het schreeuwen van ‘kijk, Amerika!’ alsof Nederland te klein is voor jou. Want we zien je heus wel. Alleen kijken we misschien iets minder dan vroeger.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Lemme know 😘


